nieuws

#UITDEKAST 7 : DE DOODSHOOFDVLINDER

Uitdekast%20jan%20wolkers

Ooit ging de Nederlandse literatuur nog vergezeld van stormachtige overmoed. Niet vies van arrogantie en een beetje concurrentiestrijd trachtten schrijvers, scribenten en auteurs elkaar in polemieken de loef af te steken. Schrijvers durfden zichzelf impopulair te maken door scherpe meningen te formuleren. Zo ook Jan Wolkers die in 1982 driftig de Constantijn Huygens Prijs weigerde.

Op Youtube staat een interview waarin hij zijn frustratie uit de doeken doet. ‘’Ik heb twintig jaar lang meesterwerken geschreven!’’ Staande bij zijn boekenkast pakt hij ze ogenschijnlijk willekeurig van de bovenste (toeval?) plank. Kort Amerikaans. Een Roos van Vlees. Terug naar Oegstgeest. Turks Fruit. De Walgvogel. De Kus. De Doodshoofdvlinder… ‘’Geen één van die boeken heeft ooit een prijs gekregen.’’ spreekt Wolkers tegen de interviewer en cameraman. Waarom nu dan opeens wel? “Ben ik opeens slecht gaan schrijven?’’

Dat was natuurlijk niet het geval. Wolkers werd niet voor niets gelauwerd met de Constantijn Huygens Prijs. Maar zijn driftigheid, overladen met een grof sarcasme, in het interview was niettemin tekenend. Niet alleen voor hem, maar ook voor zijn literatuur. Want wie goed oplet tijdens het lezen van zijn romans, en zich niet laat afleiden door Wolkers' herhaalde thematiek, valt een soort tragische grofheid op, cru en onbehouwen, bolstaand van een bitterzoete inborst. Het cynisme straalt er af en toe vanaf, in samenzang met een tragikomische opzet, waar een mannelijk hoofdpersoon zich doorgaans met veel moeite tussen beweegt. Tussen tragiek en ongepolijste leegte.

Denk bijvoorbeeld aan Eric van Poelgeest, de hoofdpersoon van Kort Amerikaans. Wolkers beschrijft in zijn debuut een driehoeksverhouding tussen Eric, zijn joodse vriendin Elly en een gipsen torso waarmee hij zich, ondergedoken op de kunstacademie, bevredigt. Het staat in feite voor een leeg verlangen van een bittere jongeman, een kunstenaar in opleiding die zich tijdens de bezetting, alleen druk kan maken over de opmerkelijke wijnvlek op zijn hoofdhuid. Het is een cynische antiheld, gepreoccupeerd door zijn eigen waan en angsten. Tragiek in optima forma.

Ook in De doodshoofdvlinder (1979) komen deze karakteristieken naar voren. In deze roman wordt hoofdpersoon Paul opgevoerd, getekend door de rouw om zijn pas overleden vader (gelijk de vlinder gekenmerkt wordt door het doodshoofd op zijn vleugels). En ook Paul is getroffen door een bepaald seksueel verlangen, in deze roman gesymboliseerd door zijn prostitueebezoek. Hij is gefascineerd door een meisje waarmee hij een auto-ongeluk krijgt, door haar bebloede gezicht en gebutste neus, en haar vriendin die zich voorafgaand (nsfw) uit jaloezie in de vagina heeft gesneden... Het is grove tragiek dat Wolkers ook in deze roman uitwerkt in leeg verlangen, angst en de dood.

Niettemin is De doodshoofdvlinder geen meesterwerk, zoals Wolkers weliswaar betoogde. Daarvoor is de urgentie van de roman te weinig aanwezig en is de verhaallijn bij tijd en wijle onbedoeld absurdistisch. Maar tegelijkertijd herinnert het boek aan een intrigerend schrijver, aan zijn vaste thema's en typerende karakteristieken. Het vormt daardoor niet alleen een interessante introductie op Wolkers' oeuvre, maar functioneert net zo goed als een mooie herinnering aan zijn unieke werk en persoonlijkheid. Het herinnert ten slotte aan een schrijver die niet bang was anderen voor het hoofd te stoten – in tegenstelling tot menig auteur tegenwoordig.

Geïnteresseerd? Jan Wolkers’ De doodhoofdsvlinder is nu te ruil in de ruilbibliotheek!